De eekhoorn en de mier gingen op reis. Niet omdat ze wisten waarheen, maar omdat ze vonden dat stilstaan ook een vorm...
De eekhoorn en de mier gingen op reis.
Niet omdat ze wisten waarheen, maar omdat ze vonden dat stilstaan ook een vorm van verdwalen was.
‘Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ vroeg de mier.
‘Dat zien we wel als we er bijna zijn,’ zei de eekhoorn. Hij keek tevreden vooruit, alsof bijna een plaats was.
In het bos was het druk. Overal waren dieren bezig. Niet zomaar bezig, maar heel druk bezig. Ze liepen heen en weer, overlegden, maakten IZA‑plannen, verbeterplannen, jaarplannen, beleidsplannen.
‘Wat doen jullie?’ vroeg de mier aan de das, die met drie anderen om een boomstam stond.
‘We zijn aan het transformeren,’ zei de das.
‘O,’ zei de mier.
‘Het is ingewikkeld,’ voegde de das eraan toe. Dat leek hem belangrijk.
‘Dit is nieuw,’ zei de mier.
‘Ja,’ zei de eekhoorn, ‘maar het helpt ons ook om verder te kijken dan ons eigen hol.’
De eekhoorn en de mier liepen verder, in hecht bosverband, en zagen dat dieren elkaar hielpen. De bever leerde de mol hoe hij beter kon slapen. Het hertje liep samen met de haas lange rondjes door het bos, omdat bewegen goed was voor hun gedachten. De uil gaf elke avond rustig uitleg over waarom het verstandig was om af en toe niets te doen.
‘Er zijn bijna geen huismusdokters en psychologen meer nodig,’ fluisterde de mier.
‘Dat komt omdat iedereen een beetje voor elkaar zorgt,’ zei de eekhoorn. ‘En een beetje voor zichzelf.’
Midden in het bos stond een gebouwtje met een bordje: Zorgcoördinatiecentrum.
‘ZCC,’ las de mier. ‘Dat klinkt belangrijk.’
Om de beurt gingen dieren naar binnen. Niet allemaal tegelijk, want dat gaf onrust. Binnen werd gepraat, geluisterd en soms ook gezwegen. De dieren wilden weten of samenwerken echt hielp. Of problemen kleiner werden als je ze samen bekeek. Vooral complexe problemen. Niemand wist het zeker, maar iedereen vond het de moeite waard om het te proberen.
‘Geeft samenwerken minder werk?’ vroeg de mier.
De eekhoorn dacht even na.
‘Misschien eerst meer,’ zei hij. ‘Omdat je moet afstemmen. Omdat je moet leren delen. Maar later… misschien wel minder. Of in elk geval: anders.’
Niet iedereen deed mee.
De olifant stampte rustig door, zoals altijd.
‘Ik zie wel,’ zei hij. ‘Het bos is altijd al een bos geweest.’
De wezel lag in een hoekje en wachtte tot alles weer overwaaide. Hij hield van wachten, omdat hij dan niets hoefde te veranderen.
En de kikker? Die sprong blij rond.
‘Als iemand verstand heeft van transformeren, ben ik het wel!’ riep hij.
‘Waarom?’ vroeg de mier.
‘Ik was ooit een kikkervisje! Maar ook omdat ik altijd spring en spring, zonder precies te weten waar ik land,’ zei de kikker. ‘En meestal gaat het goed.’
De eekhoorn en de mier gingen op een boomstronk zitten.
‘We weten nog steeds niet waarheen we reizen,’ zei de mier.
‘Nee,’ zei de eekhoorn, ‘maar we weten wel dat we samen reizen. En iedereen lijkt te bewegen in dezelfde richting.’
Ze keken om zich heen: het drukke bos, de samenwerkende dieren, de twijfelaars, de enthousiastelingen, de chaos die soms leek op orde.
‘Misschien,’ zei de mier, ‘is dit de plek.’
‘Of misschien,’ zei de eekhoorn, ‘zijn we er nog middenin.’
Ze bleven nog even zitten. Dat leek hen verstandig.
Want zelfs op reis mag je af en toe stilstaan.
Geïnspireerd op Toon Tellegen hebben we aan het einde van het jaar met onze medewerkers stilgestaan bij alles wat er op ons afkomt binnen RegiozorgNU: de veranderingen, de vragen en de beweging waarin we samen zitten.